Orgelgeschiedenis

Orgelgeschiedenis van de Hervormde Gemeente van Oude-Tonge

Sinds  31 januari 1897 staat er in de kerk van de Hervormde Gemeente van Oude-Tonge een pijporgel. In dat jaar plaatsten de gebroeders Franssen uit Roermond een tweedehands instrument, met de volgende dispositie:

Grootorgel
Principaal 8'
Bourdon 16'
Voila di Gamba 8'
Cornet 3 sterk
Holpijp 8'
Octaaf 4'
Fluit 4'
Octaaf 2'
Mixtuur 3 sterk
Trompet 8' bas/disc.

Positief of Kleinorgel
Principaal 4'
Bourdon 8'
Salis conota 8'
Fluit traversière 4'
Fluit 4'
Quint 3'
Picolo 2'
Basson 8' bas
Tromhorn 8' disc.

Aangehangen pedaal.
Pedaal- en Manuaalkoppeling

Het instrument werd in gebruik genomen door de Rotterdamse organist G.B. van Krieken, een geboren Oude-Tongenaar. De eerste organisten waren A. van der Heiden en J. de Lignie. Ook een orgeltrapper werd aangesteld, die de blaasbalgen moest betreden, aangezien er nog geen elektriciteit was. Pas in 1951 is er een elektromotor aangebracht door de firma Leeflang (toen nog in Middelharnis). Merkwaardig fenomeen is dat uit de 'Rekeningen van ontvangsten en uitgaven van de kerk 1842-1917'  blijkt dat de voorzanger (dhr. M. Kanters) in ieder geval nog tot 1902 zijn traktement kreeg van f. 70,05!

Na de watersnoodramp van 1953 bleek het instrument aangetast door het vocht en werd uitgezien naar een ander instrument. Uiteindelijk kreeg de Deense firma Frobenius de opdracht om het instrument te bouwen. Er werd voor een Deense firma gekozen, omdat zij na de watersnood veel hulp hebben verleend aan de getroffen gebieden. Een groot deel van de kosten van het nieuwe instrument is betaald door het zogenaamde 'Rampenfonds. Door de restauratie van de kerk en een lange discussie over het front van het instrument en de dispositie is het orgel pas 13 jaar later in gebruik genomen, in 1966.

In de eerste tekeningen van de frontontwerpen is te zien dat een aantal fragmenten van het oude front overgenomen zijn (bijv. de muziektrofeeën aan het rugwerk, de vazen op het rugwerk en David op het hoofdwerk), het lofwerk boven de pijpvelden een bloemmotief zou hebben en alle andere detaillering traditioneel van opzet zou zijn. Het oorspronkelijke ontwerp van de orgelmaker was qua detaillering heel strak. Het uiteindelijke ontwerp zou je een soort tussenvorm kunnen noemen: vrij strak van opzet, maar wel 'klassieke' consoles en een traditionele balustrade.

De versieringen van het oude instrument, waarover zojuist gesproken is, zijn trouwens niet weggegooid, maar sieren momenteel het orgel van de Hervormde kerk in Nieuwe-Tonge!

Sinds de bouw in 1966 heeft het orgel geen veranderingen ondergaan. In 2003 heeft het instrument een grote schoonmaakbeurt gehad, die door de firma Reil is uitgevoerd. De dispositie van het instrument is als volgt:

Hoofdwerk:
Quintatǿn 16' (C-F als Quint 5 1/3')
Principal 8'
Rǿrflǿjte 8'
Octav 4'
Spidsflǿjte 4'
Octav 2'
Mixtur
Trompet 8'

Rugwerk
Gedakt 8'
Principal 4'
Rǿrflǿjte 4'
Gemshorn 2'
Scharf
Sesquialtera II (C-c 1 1/3', 4/5', vanaf cis 2 2/3', 1 3/5')
Dulcian 8'
Tremulant

Pedaal
Subbas 16'
Principal 8'
Octav 4'
Mixtur
Posaune 16'
Skalmej 4'

3 koppels
Klavieromvang: C - f'''
Pedaalomvang: C - f'

Bronnen:
Archief Hervormde gemeente Oude-Tonge (ISGO-Middelharnis)
Het Utrechts Archief (NHK Orgelcommissie 1948-2003), met dank aan Bart van Buitenen